openbaar

bn. 'voor iedereen van belang' Mnl. openbaer 'voor iedereen zichtbaar, voor iedereen duidelijk' in Stille ende openbare 'op alle manieren' (letterlijk 'in stilte en openlijk') [1200; VMNW], dingen die openbar sin 'zaken die voor iedereen duidelijk zijn' [1236; VMNW], openbare 'id.' [1240; Bern.], 'voor iedereen van belang' in omme openbare nutscepe 'voor het algemeen belang' [1282; VMNW], ook zelfstandig gebruikt in dattet int openbare leghet sinen drec 'dat het op een voor iedereen zichtbare plaats zijn uitwerpselen achterlaat' [1287; VMNW].
Gevormd uit » open en het bn. » baar 5 'open, bloot' en dus vergelijkbaar met de uitdrukking open en bloot. Het woord is dus geen afleiding met » -baar: dat zou in strijd zijn met de betekenis (het woord betekent niet 'geopend kunnende worden') en met de klemtoon op de laatste lettergreep.

werk

zn. 'arbeid' Onl. werc in end allum dioboles uuercum (gelatiniseerd) 'en alle werken van de duivel' [eind 8e eeuw; CG II-1, 26]; mnl. werc, warc, weerc in uan sente Servases werken 'van de werken van Sint-Servaas' [1200; VMNW]. Os. werk (nnd. wark); ohd. werc (nhd. Werk); ofri. werk (nfri. wurk); oe. weorc (ne. work); on. verk (nzw. värk); alle 'werk, arbeid', < pgm. *werka-.
Hierbij hoort ook de afleiding *wirkijan- 'werken', waaruit werken (zie onder), en verder: os. wirkian (nnd. warken); ohd. wirken (nhd. wirken); ofri. werk(i)a, wirtz(i)a (nfri. wurkje nieuw gevormd uit wurk). Daarnaast met nultrap pgm. *wurkijan-, waaruit: os. workian (mnd. wurken); ohd. wurken (mhd. wurken, würken); oe. wyrc(e)an (ne. work); on. yrkja; got. waurkjan. Nog aanwezig in mnl. workeldach 'werkdag'. Verwant met: Grieks érgon 'werk' (zie ook » allergie, » chirurg, » energie, » lethargie, » liturgie), érdein (< *uergi-) 'doen, offeren', órganon 'instrument, orgaan' (zie ook » orgaan), órgia 'geheime rite' (zie ook » orgie); Avestisch varaza- 'het werken'; Oudiers fairged 'maakt', Oudbretons gwerg 'werkzaam'; Armeens gorc 'werk'; < pie. *uerg-, *uorGg-, *urg- 'doen, maken, werken' (LIV 686).
werken ww. 'arbeiden; functioneren'. Onl. wirken 'werken, maken' in uueg uuirkit imo 'maak een weg voor hem' [10e eeuw; W.Ps.], ther ... sinemo heerron wirche 'die voor zijn heer werkt' [ca. 1100; Will.]; mnl. werken in hundirt cameren, gewart al te samene 'honderd kamers, samen gemaakt' [1201-25; VMNW], werken 'arbeid verrichten' [1240; Bern.], Dat got die sikheit wrachte 'dat god de ziekte veroorzaakte' [1265-70; VMNW]. Afleiding van werk. De verleden tijd en het verl.deelw. luidden in het Middelnederlands (nu nog Vlaams) wrochte(n) en ghewrocht, Engels wrouight, met Noordzee-Germaanse metathese van r voor -(c)ht als in » godsvrucht, en zie ook het bn. » doorwrocht en het zn. » gewrocht. Door analogiewerking ontstond hierbij in het Nieuwnederlands een nieuw werkwoord wrochten, dat gewoonlijk beperkt blijft tot literair of schertsend taalgebruik en dan de betekenis '(als kunstenaar) scheppen' heeft.

Waar zou de site volgens jou voor gebruikt moeten worden?